Een analyse van ‘historische fouten’ wordt best gemaakt op basis van feiten, bij voorkeur met kennis van zaken.
Als schepen van Financiën wens ik even te reageren op het opiniestuk van Jakob De Smaele (http://bit.ly/48Ltxpz) in De Standaard aangaande de verkoop van (historisch) vastgoed door de Stad Gent.
In de eerste plaats moeten we even duidelijk maken waarover het gaat. De Stad Gent is eigenaar van 1249 vastgoedobjecten, variërend van petanquepleintjes tot het Belfort. Een heel brede waaier dus. We hebben het dan uiteraard niet over het openbaar domein, maar over het private patrimonium van de Stad Gent.
Binnen dit wel erg ruime ‘grootgrondbezit’ zitten zo een 600 gebouwen vervat. Het gaat dan voornamelijk over gebouwen die gebruikt worden door de stadsdiensten (kantoren, loodsen, werkplaatsen, zalen, scholen, …). Hiervan worden er 118 ‘gedesaffecteerd’ en vervreemd.
De reden hiervoor ligt voor de hand: we hebben, gelet op de financiële toestand van de Stad, simpelweg niet de middelen en mogelijkheden om al dat vastgoed behoorlijk te onderhouden, laat staan aan te passen aan de hedendaagse eisen inzake toegankelijkheid, energiezuinigheid of erfgoedeisen.
Bovendien worden vele van onze gebouwen structureel onderbenut. De vastgoedportefeuille is in de loop van de jaren tot stand gekomen, in sommige gevallen zelfs nog daterend van de fusie van gemeenten in 1977, dus straks een halve eeuw geleden. In veel van onze wijken en deelgemeenten beschikken we op enkele straten van elkaar over een kantoor Burgerzaken, een politiecommissariaat, een buurtcentrum, een LDC voor senioren, een bibliotheek, … Allemaal zijn ze een paar dagen of zelfs een paar uur per week open.
De eerste doelstelling van onze vastgoedoperatie is, om al die functies zoveel mogelijk te clusteren in moderne, toegankelijke, aangepaste en gedeelde gebouwen, die een kloppend hart vormen voor een wijk of deelgemeente.
31 van de panden op de lijst worden niet verkocht, maar ingebracht in ons stedelijk ontwikkelingsbedrijf om ingezet te worden voor het realiseren van budgetwoningen en sociale woningen. Daarmee bestrijden we (gedeeltelijk) de wooncrisis die in onze stad heerst. Andere panden zullen inderdaad ontwikkeld worden tot private woonprojecten, ook daar weer om ruimte te bieden aan de 30.000 bijkomende Gentenaars die er tegen 2040 zullen zijn.
De historische panden op de lijst, zoals het Toreken, Kasteel Borluut of de stadspaleizen, worden niet verkocht, maar in erfpacht gegeven. Dit zijn strategische eigendommen, die we niet gaan verkopen. In het verleden hebben we ook gronden in de binnenstad in erfpacht of opstal gegeven, precies om die strategische grondpositie op lange termijn te behouden.
Dit zijn dus de feiten, en niet de ‘hear-say’ waarop het opiniestuk is gebaseerd. Het grootste probleem van Jakob De Smaele is evenwel dat zijn historische parallel is gebaseerd op een totaal foute economische premisse. Je kan een filosoof op zich niet kwalijk nemen dat hij geen kaas gegeten heeft van economie en budgettering. Maar vooraleer straffe uitspraken te doen, is het opdoen van die basiskennis misschien geen overbodige luxe.
De vergelijking zou immers opgaan indien de Stad Gent, net zoals het Franse revolutionaire bewind deed, de verkoop van vastgoed zou gebruiken om tekorten op de lopende rekening te dekken. Dit is het financiële equivalent van het opstoken van je ramen en deuren om het huis te verwarmen. Je hoeft niet veel economische of financiële scholing te hebben om te beseffen dat zoiets niet duurzaam is.
Laat dat nu net hetgene zijn dat we als Stad niet doen. De opbrengsten van de verkopen zullen immers binnenkomen op het investeringsbudget, niet op de exploitatie. Dat mag overigens ook niet in de gemeentelijke boekhouding. Die ontvangsten zullen net gebruikt worden om te investeren in de 500 overblijvende gebouwen, zodat die wél voldoen aan de hedendaagse eisen. Ze zullen ook gebruikt worden om waar nodig nieuwe gebouwen neer te zetten die dienstverleningsclusters zullen vormen in onze wijken en deelgemeenten.
Los daarvan hebben we de nodige maatregelen genomen om onze exploitatie structureel in evenwicht te brengen. Uiteraard maken we daarbij ook dankbaar gebruik van het feit dat bijvoorbeeld de energiefactuur van een nieuw en compact gebouw fors lager zal liggen dan die van 5 of 6 oude en verspreide gebouwen, wat ons overigens ook helpt in onze klimaatdoelstellingen.
De waarheid en de feiten liggen dus wel een eind weg van het opiniestuk van Jakob De Smaele. Het is op zich goed geschreven en aangenaam om te lezen, maar als we kijken naar de loutere feiten van de beslissing van het Gentse stadsbestuur, volstrekt irrelevant.
Christophe Peeters
